Verhalen uit Het Schrijflab | Het Schrijflab

OLIFANTENOPSTAND

Stropers zochten altijd dat ene verdwaalde mannetje dat wanhopig op zoek was naar een vrouwtje om mee te paren. Zo’n mannetjesolifant werd dan onvoorzichtig en daardoor een gemakkelijke prooi om te vangen en te doden. Deze mannetjes hadden niet de bescherming van andere dikhuidigen.

Arthur, George en William hadden broers en zussen aan de stroperij verloren, ze waren er getuige van geweest hoe hun tantes maanden hun dode kind meezeulden omdat ze er geen afscheid van konden nemen. Ze kenden de verhalen van de grote kuddes van weleer, toen een troep uit dertig soms wel veertig olifanten bestond. Nu was de troep al blij als ze met vijftien waren terwijl acht tot tien het gemiddelde aantal was.

Aan dit decimeren moest een einde komen, dat hadden Arthur, George en William besloten.

Arthur, George en William volgden de richting waarvan ze dachten dat het de goede was. En na een dag of drie over bijna onbegaanbare paden door het bos gedwaald te hebben, roken en hoorden ze olifanten. Als waren zij tijgers slopen ze in de richting van de geuren en geluiden. Na een half uur ontwaarden ze door de struiken een groep van zo’n twaalf olifanten van verschillende leeftijden. Veel vrouwtjes en een tweetal mannetjes. Die laatsten wilden ze spreken.

Ze keken elkaar aan, zich afvragend wie van hen het eerste contact zou leggen. Terwijl ze zo verscholen in de struiken de troep bespiedden, hoorden ze achter zich getrompetter, angstig getrompetter, om hulp vragend getrompetter. Ze keerden om en liepen voorzichtig op het geluid af. Op tien minuten afstand zagen ze hoe een tweetal grote olifanten driftig bezig was een babyolifant uit een modderpoel te redden. Ze trokken en sjorden aan de kleine spruit, maar ze hadden niet genoeg handigheid en kracht om het jonge ding uit de modder te trekken.

Dit was een manier om zich geliefd te maken bij de onbekende kudde, dachten Arthur, George en William. Zonder met elkaar

te overleggen liepen ze eropaf, bekeken de situatie en besloten te helpen. Arthur liep het water in en zette zijn kop tegen de kont

van de kleine. William en George haakten ieder aan een kant met hun slurf achter de voorpoten van de hummel en binnen no-time stond het kleintje op de kant. De moeder en de tante die tot dan toe pogingen hadden gedaan de kleine van een gewisse dood te redden, hadden nauwelijks tijd om verbaasd te zijn over deze snelle, maar vooral efficiënte hulp. Met hun slurven sierlijk krommend in de lucht bliezen ze dankwoorden en gaven ze aan de kudde, die langzaam was doorgelopen, het signaal dat alles in orde was. Arthur, George en William werden uitgenodigd zich bij de groep aan te sluiten.

Bij het zien van de vrouwtjes kreeg Arthur een onbedwingbare drang om met William te vechten. William voelde daar niets voor en drukte Arthur bij zich weg. Maar Arthur bleef hem pesten en sarren. Arthur had gezien dat William in de belangstelling van de meisjes was komen te staan. Dat was William ook opgevallen, hij voelde zich gevleid en voelde wel een drang om het met een van de meisjes te doen, maar hij was met een ander doel gekomen. Nadat hij een paar stoten in de flanken van William had geplaatst besloot William terug te vechten. Hij ging met zijn kop naar beneden staan, positioneerde zich recht voor Arthur en ging in volle vaart op hem af. Diep van binnen hoopte hij dat de meisjes deze geweldsuitbarsting zouden zien en zouden zien welk een geweldig gestel hij had. Arthur liet dat niet op zich zitten, haalde diep adem en in het besef dat hij de trofee, het leukste meisje, zou winnen, stormde hij met eenzelfde geweld

op William af. De koppen knalden tegen elkaar en op het moment dat Arthur even duizelig was, pakte William hem bij de voorpoten en met de kracht van een volwassen olifant haalde hij hem neer en zette een poot op zijn hoofd. De meisjes die dit hadden aanschouwd tetterden van plezier en Ashley werd als trofee naar voren geschoven. William gaf haar een aai over het hoofd en liep door. Hij knikte

naar Arthur alsof hij wilde aangeven dat ze voor hem was. De twee jonge mannetjes van de troep, Henry en Owen, keken jaloers naar dit tafereel. Eigenlijk hadden ze geen zin in deze mannelijke concurrentie, zij waren tenslotte de mannen van de troep op dit moment.

George en William legden Henry en Owen het doel van hun komst uit, waarop Henry en Owen besloten zich bij het drietal aan te sluiten en ook op kruistocht te gaan tegen de stropers.

Nadat Arthur zijn natuurlijke plicht had gedaan, voegde hij zich bij de anderen en toen de schemer inviel verlieten zij de kudde. Henry en Owen kregen als afscheid verschillende slurven langs hun hoofd en tegen hun oren. Een enkele zus kneep hen zelfs zachtjes in de lip en tong. Arthur, George en William benijdden hen om dit afscheid, zij kregen slechts wat zand op hun rug gegooid.

Het werd een gevaarlijke tocht. Geen van vijven had ooit opgelet hoe de routes van hun respectievelijke oma’s liepen. Het waren de oma‘s die met hun dochters en kleindochters communiceerden over de plekken waar naartoe werd gewandeld. Het waren de dochters en kleindochters die hier aandacht voor hadden, zij, de mannetjes niet. Nu moesten zij gevijven op zoek gaan naar de schuilplaats

van de stropers. Ze baanden zich een weg door het struikgewas richting de grasvelden. Daar was hun eten. Ze realiseerden zich dat ze op de grasvelden wel erg zichtbaar waren voor de stropers, maar dat was ook wat ze wilden. Of toch niet? Ze wisten niet op welke wijze stropers te werk gingen, hoe de stropers kuddes traceerden

of misschien wel in een val lokten. Wat Arthur, George, William, Henry en Owen wel wisten was dat het altijd een verrassingsaanval was. Het was zaak dat zij de stropers op dezelfde wijze verrasten en in de val zouden lokken. Ze moesten de stropers vinden en volgen om ze vervolgens met een plan uit hun schuilplaats te lokken en ze te grazen nemen.

Terwijl ze met elkaar overlegden en het gras van de savanne aten, moest William denken aan het gesprek dat hij met Barbara, de oma van Henry’s en Owens kudde, had over zijn vader. William had de stoute schoenen aangetrokken en Barbara op de man af gevraagd of zij zijn vader kende en wist waar hij was. Ze had gesist en hem apart genomen.

‘Je mag nooit naar je vader vragen, nooit je vader zoeken of contact met hem hebben.’

William had teleurgesteld gereageerd en zijn slurf van verdriet op de grond laten vallen.

‘Waarom niet?’ had hij gevraagd, ‘ik wil toch weten hoe ik als man moet leven.’

‘Dat leer je van ons, van je zussen, je nichten, je broers, je neven.’

‘Ik leer niks van hen, ze lopen achter jou aan, eten gras van de grond en bladeren uit de bomen. De enige keer dat er een beetje contact is, is als we bij het water zijn, dan maakt iedereen iedereen nat, maar ook dan is er geen gesprek.’

‘Het is nu eenmaal geen gewoonte dat mannetjesolifanten hun vader gaan zoeken. Wat jullie met z’n drieën doen is heel uitzonderlijk.’

‘Maar vader kan ons toch helpen bij het vinden van de stropers, hij is toch bekend hier, hij weet toch hoe stropers te werk gaan?’

Barbara viel stil. ‘Er is,’ zei ze, ‘in de richting waar de zon opkomt, tot zij op ongeveer een kwart van de hemel is, een plek waarvan gezegd wordt dat de mannen daar samenkomen. Maar je mag niemand vertellen dat je dat van mij hebt gehoord.’

William wilde zijn vrienden in de richting van de opgaande zon leiden, maar het was Arthur die de route bepaalde. Het leek wel alsof hij zich de meerdere voelde van de anderen, alsof de bruidsnacht een leider van hem had gemaakt. George was grote vrienden met Arthur en sprak hem nooit tegen en Henry en Owen waren te jong en te timide om Arthur te corrigeren, laat staan tegen te spreken. William gebruikte de tactiek om zelf gras te gaan eten in de richting van de zonsopgang. En hoewel Arthur hem met regelmaat terugriep, lukte het William om de anderen ook zijn richting op te laten komen. En zo dreven ze langzaam maar zeker richting de mannendrinkplaats.

Het was tegen de avond dat ze bij de struiken kwamen, waarachter de drinkplaats van de volwassen buls zich bevond. De jonge mannen, nog rustig de bladeren van de bomen afrukkend, werden opgeschrikt door een hels kabaal. De aarde trilde alsof er een aardbeving plaatsvond en uit de hemel klonk onheilspellend trompetgeroffel.

Ze keken om zich heen en zagen dat ze door zo’n vijf olifanten

van drie keer hun omvang waren omsingeld. Stampvoetend om

hun ongenoegen van dit bezoek kenbaar te maken kwamen de mastodonten op de jongens af. De jongens formeerden zich in een kring met de billen tegen elkaar aan en bekeken het geweld dat op hen afkwam. Arthur waagde het een voet naar voren te zetten en

een zo hard mogelijke schreeuw door zijn slurf te blazen. Maar het maakte geen indruk. De mannen waren hen inmiddels tot op vijf meter genaderd. Arthur, George, William, Henry en Owen hadden geen andere keuze dan met hun voorpoten op de knieën te gaan liggen en hun voorhoofd nederig op het zand te laten rusten.

De grote mannen kwamen langzaam op hen af, het neerkomen van hun poten rilde door de angstige lijven en liet zelfs de oren trillen.

De jongens hoorden de zwaarlijvigen nu zelfs ademen. Ze voelden een wind langs hun hoofd. De grote mannen liftten hun slurven in de lucht. De jongens voelden deze gespierde ledematen al op hun kop en in hun nek neerkomen. Maar in plaats daarvan volgde er een luid gebulder van vrolijkheid. In plaats van meppen werden ze onder hun oksels opgelicht en verwelkomd.

‘Welkom, welkom,’ klonk het tussen het getrompetter door. De jongens, nog aan het bijkomen van de schrik, lachten als boeren met kiespijn.

Ze werden meegenomen naar de drinkplaats waar ze door de andere mannen werden begroet, als waren het verloren zoons.

Zo leefden ze bij de mannen, zagen ze hoe met regelmaat een mannetje verdween en hoe hij na een paar dagen terugkwam. Het is de natuur die roept had een van de mannen uitgelegd, de soort moet blijven bestaan. Arthur voelde zich schuldig dat hij voor zijn beurt was geweest.

Het was aan Arthur om het doel van hun komst te vertellen, zij waren gekomen om de soort voort te laten bestaan, echter op een andere wijze dan de oudere olifanten bedoelden. Arthur durfde

hun komst niet te verklaren. Voor de oudere mannen was hun komst duidelijk: bescherming bij elkaar zoeken en kroost bij de vrouwtjes maken. William ergerde zich aan het getreuzel van Arthur. Telkens als hij Arthur aansprak op zijn verantwoordelijkheid het stropersonderwerp aan te snijden, blies Arthur William met veel poeha weg en zei hij dat William zich er niet mee moest bemoeien, zei hij dat hij zijn eigen moment zocht.

Na een paar dagen nam William het heft in eigen handen, niet opzichtig maar wel doelgericht.

Hij ging bij olifant Charles in de buurt lopen van wie hij dacht dat hij de oudste was.

‘Is er iets?’ vroeg Charles, die het idee had dat deze jonge olifant hem stalkte.

‘Mag ik u iets vragen?’ vroeg William.

‘Je weet dat dat niet de gewoonte is, dus ik luister niet.’

‘Weet u wie mijn vader is?’

Charles schrok zo hard dat hij ongewild een alarmsignaal door zijn

slurf liet ontsnappen. De andere olifanten keken verschrikt, maar vooral verbaasd op, want zij hadden geen onraad geroken en zagen Charles toch vrij gemoedelijk met een jonge olifant converseren.

Charles maakte een afwerend gebaar met zijn slurf, en gaf aan dat er niks aan de hand was.

‘Wij olifanten, beste?’ Hij wachtte even. ‘William,’ vulde William aan. ‘William, wij als olifanten kennen een drietal geheimen: één is de plek waar we schuilen, twee is de plaats waar we paren en drie is de olifant van wie we afstammen. We mogen weten wie onze moeder is, wie onze zusjes zijn, maar we mogen niet weten wie onze broers zijn en wie onze vaders zijn.’

‘Maar waarom niet?’

‘Wel m’n beste dat is voor het moment dat we musth zijn. Onze vechtlust mag niet beperkt worden door de kennis dat we met onze vader of onze broer om de gunst van een bruid moeten gaan strijden.’

‘Waarom niet?’

‘Omdat de sterkste dan niet wint, maar degene met wie de aanvaller medelijden heeft. Als dat gebeurt verzwakt ons geslacht.’

William liep van Charles weg. Hij was dus gedoemd om met zijn broers en vader te vechten om een bruid te veroveren als ze tegelijkertijd musth waren. Hij had Arthur dus niet mogen laten winnen, hij had zelf met Ashley moeten paren

Charles liep hem achterna.

‘Was dat was je wilde vragen?’ vroeg hij William.

‘Nou ja...’ Nog voor William zijn tweede vraag kon stellen was

Arthur erbij komen staan en vroeg aan William: ‘Heb je hem gevraagd naar de stropers?’

‘Nee, dat zou jij doen.’

‘Stropers?’ vroeg Charles met hese stem.

‘We willen de stropers te grazen nemen,’ zei Arthur.

‘Hoe wil je dat doen? Die jongens bouwen hinderlagen, zitten

verstopt in de bosjes en schieten met geweren. Onze enige redding is de vlucht.’

‘Altijd op de vlucht? Dat is toch geen redding. Wij zijn met meer en sterker, wij kennen het terrein en zijn slimmer,’ zeiden Arthur en William bijna in koor.

‘Oké, ik roep de mannen bij elkaar. Dan kunnen we het bespreken,’ zei hij en blies de kom-samen-toon.

De mannen kwamen hun richting op. Ze schuifelden door het water, driftig overleggend waar deze bijeenkomst voor nodig was.

‘Heren, onze nieuwe aanwas heeft snode ideeën, ze zijn jong, maar ik denk dat we even naar hen moeten luisteren.’

Arthur vertelde over hun idee om de stropers aan te pakken en dat aan hun praktijken een eind moest worden gemaakt. Er volgde wat minachtend gesnuif. Sommigen wilden zelfs uit de kring stappen en doorgaan met de verkoeling. Het kwam ze op een reprimande van Charles te staan.

Arthur vertelde dat hij nog geen idee had hoe dit te doen, maar dat hij graag gebruik wilde maken van de kennis en ervaring van de oude mannen.

De mannen keken elkaar aan, een enkeling schudde meewarig het hoofd, terwijl Michael het waagde om te zeggen dat hij, toen hij onlangs terugkeerde van een kudde, een plek had gezien waarvan hij dacht dat de stropers zich daar ophielden. Hij kreeg bijval en afwijzingen, er waren er bij die het plenair wilden houden en er waren erbij die hun ideeën over de aanpak via bilateraaltjes uitten. Het werd een kakofonie van getetter.

Charles trompetterde boven het gekrakeel uit en stelde voor dat het verstandig was om ideeën in kleine kringetjes te bespreken en die aan Arthur, George, William, Henry en Owen door te geven. Dan konden zij op basis van die ideeën met een uitgewerkt plan komen.

Na twee weken lag er een plan van aanpak, na vier weken was dat tot een strijdplan uitgewerkt en in week zes lag er een gedetailleerd plan en stonden de mannen te trappelen om ten strijde te gaan.

Ze wisten waar de stropers zich ophielden. Met regelmaat hadden hun paden zich gekruist, maar nog nooit was het een stroper gelukt een groot mannetje te doden. De mannetjes waren daarvoor veel te veel op hun hoede. Echter, zij moesten met lede ogen aanzien hoe het de stropers wel lukte om jonge vrouwtjes te vangen en te doden, al was het hun om de slagtanden van jonge mannetjes te doen.

De olifanten verdeelden zich in twee groepen, de jonge mannetjes vormden een groep en de grote mannen de andere groep. Ze spraken af dat ze met kort stampen zouden laten weten als ze in positie waren om de stropers uit hun tent te lokken.

Het begon te schemeren. De zon was oranje gekleurd en gaf de aarde de gloed van de naderende nacht. De stropers hielden zich vlak bij een afrastering op, zo konden zij hun buitgemaakte ivoor snel uit het reservaat smokkelen.

De jonge mannetjes zouden speelse geluiden maken en zo de stropers naar hen toe lokken. De grote olifanten zouden hen dan omcirkelen en vertrappen.

Door de struiken zagen de grote mannen hoe de stropers uit hun schuilplaats kwamen en met hun geweer over de schouders richting de spelende jongens slopen. De grote olifanten verspreidden zich zo, dat zij in een cirkel rondom de stropers uitkwamen. Door zacht te trommelen met hun poten lieten ze de jongens weten dat

de stropers onderweg waren. De stropers waren opgewonden, zij hadden het idee een flinke buit te maken, ze herkenden verschillende geluiden, dus het moesten meerdere jonge mannetjesolifanten zijn. Overmoedig, omdat zij vermoedden dat de jonge olifanten zich

niet bewust waren van het gevaar, naderden de stropers de spelende troep olifanten. Een van de stropers schoot in de lucht. De jonge olifanten schrokken en gingen in een kring met de billen tegen elkaar staan. Er volgden meer schoten. Het leek alsof de stropers er lol in hadden de olifanten angst aan te jagen. Met het geweer in de aanslag liepen ze op de kring van de angstige olifanten af. Toen ze op zo’n twee meter waren genaderd, rolde er van achter hen een gedonder zoals zelfs het zwaarste onweer dat niet kan produceren. De grote olifanten kwamen met hoge snelheid en veel lawaai op de stropers

af, die, zich bewust van hun ondertal en formaat, met de armen de mastodonten van zich af probeerden te weren. Het hielp niet, zij werden verpletterd nog voor ze beseften wat er gebeurde. Een van hen probeerde zijn geweer nog op een jonge olifant, William, leeg

te schieten, maar Winston duwde William opzij waardoor de kogel het hoofd van Winston zelf doorboorde. Hij wankelde, viel en in zijn ogen was geen leven meer.

Op het terrein lagen de lichamen van de stropers, vertrapt, verminkt, en alsof hij in een diepe slaap was, Winston. Er werd niet naar hem omgekeken. William ging naast Charles lopen. Trots dat hun missie geslaagd was, verdrietig omdat een van hen het leven had gelaten, verbaasd dat ze geen afscheid van Winston hadden genomen.

Charles voelde de twijfel bij William. ’Wij mannen nemen geen afscheid van onze doden, ook niet als zij een heldendaad hebben verricht, ook niet als het je vader is.’

Peter den Hollander

Dit verhaal verscheen in de bundel Verhalen uit Het Schrijflab 2019, te bestellen bij Uitgeverij Shinz, prijs € 9,95 : http://www.shinz.nl/bestellen