BEZOEKERSBLOG

 

Deze pagina staat open om te publiceren voor ieder. Je kunt proza insturen, bijvoorbeeld een column, blog, verhalend stukje fictie / non-fictie of een gedicht.

Het Schrijflab verzorgt de redactie. Voor bijdragen is het maximum verhoogd van 500 naar 1500 woorden (proza) en van 30 naar 60 regels (poëzie).

Op een gepubliceerde tekst(en) kan ieder reageren in het toegevoegde venster. In je reactie geef je bij voorkeur helder geformuleerde feedback op de inhoud, techniek en stijl. Of je drukt je waardering uit in een goed beargumenteerde vorm.

 

Dood aan de salamanders

Zoveel keuzes moet men tegenwoordig maken

 

Mevrouw Wilgenteen knippert met haar bijziende ogen. Het moet rond het middaguur zijn, want alleen dan piepen vier banen zonlicht door de raampjes van de Bisschopsmolen langs het grote eikenhouten rad tot op het wateroppervlak van de Jeker. Het liefst omzeilt ze deze helse, lichte plek maar onbedwingbaar is ze haar neus achternagegaan, daar kan ze niks aan doen, het is een oeroude drang die het geslacht Wilgenteen al lang voor de grote exodus in zich had.

Nu is mevrouw Wilgenteen teruggekeerd, als eerste telg na betoverovergrootmoeder Wilgentæn – jazeker, de teen uit hun familienaam werd vroeger als tæn gespeld, maar dat heeft mevrouw Wilgenteen altijd dikdoenerij gevonden. Goed, ze is met de tijd meegegaan en haar neus achterna, en ze heeft haar stam uit de diaspora teruggeleid naar de geboortegrond van Betoverovergrootma en nu wacht ze op de broodresten die de warme Bisschopsmolenbakker rond deze tijd in de Jeker kiepert. Tarwebrood en meergranen en boerenbruin en wat al niet, en speltvlaai en – god betere het – stukjes biobrownies.

God-o-god, wat zijn de tijden veranderd, zoveel keuzes moet je tegenwoordig maken, dat ging in de familiesagen wel anders: de ene dag rogge-, de andere dag speltbroodkruimels, dat was het enige dilemma voor Betoverovergrootma en de haren.

‘Biobroodnies,’ brabbelt mevrouw Wilgenteen, ‘god-o-god.’

‘Het zijn biobrownies, lékker,’ verbetert haar jonge, knappe achterneef. ‘Dat is Engels, dat weet u toch wel?’

Boven hen knarst een luik en het middagmanna verschijnt: kruimels en korsten, brokken en brokjes, en ook hun geuren, buitelen brooddronken door de zonnebanen. Mevrouw Wilgenteen pakt een groot stuk dat op haar hoofd is gevallen.

Neefs neusvleugels gaan op en neer. ‘Jammie, glacé-koek.’

‘God-o-god, glaazeekoe.’ Ze propt het in haar mond en schudt traag haar oude hoofd waardoor haar grijze snorharen ritmisch opflitsen in een der vier zonnebanen.

Neef probeert z’n lach te verbergen. Die ouwe taart is hem veel te sloom, en nu die snorharen, haar hormonen moeten erg in de war zijn. Hij slaat hard op het wateroppervlak en mevrouw Wilgenteen laat de koek van schrik uit haar mond vallen. Meteen duikt hij onder, met het geglaceerde brok, hij is de snelste zwemmer van de Jeker, zelfs hier in de duistere catacomben onder Maastricht haalt hij 23 seconden op de 100 meter, een nieuw beverrecord.

 

 

Honger

 

Het gebeurde jaren geleden, tijdens de Grote Overtocht uit de Tihange-diaspora, dat het volk de plek bereikte waar de Jeker verdwijnt in een groot gat in een nog veel grotere zwartstenen muur. Daarachter zouden de Beloofde Oevers liggen, het land van Berk en Stroming, maar het enige wat ze zagen was dat grote muurgat waarin de Jeker kolkend en zwart verdween, het gat in de nog veel grotere zwarte muur.

‘Wie durft?’ had Neef – eigenlijk was hij toen nog een Neefje – kwajongensachtig geroepen, maar niemand durfde. Neef maakte nog een handige schijnduik maar niemand trapte erin, niemand volgde hem.

De avond viel en men zag slechts hoe een enkele puistsalamander door het zwarte kolkwater werd meegezogen. Net goed!

En nu bivakkeren ze al drie oneindige maanden in het Stadspark. Overdag houden ze zich schuil in een rododendronbosje, kauwend op onverteerbare rododendronblaren, velen hebben diarree, en ’s nachts zijn er elke keer een paar minder die op speurtocht gaan, op jacht naar de ingang tot de Beloofde Oevers. Elke nacht wordt er wel iemand door het verkeer platgereden, elke vroege ochtend hangen de snorharen van mevrouw Wilgenteen een tikje lager als ze tussen de rododendronstammen de overlevenden telt.

Het enige spoor dat ze hebben gevonden is doodgelopen: verderop bewaakt een beer een grote kuil, mogelijk een geheime ingang, maar de beer is knettervals. Zelfs mevrouw Wilgenteen, die toch bij het Albertkanaal heeft bewezen in vele tongen te spreken, krijgt hem niet aan de praat.

‘Ik wil terug,’ piept kleine Els, een van de behendigste spoorzoeksters. ‘Terug naar de wilgen bij de kerncentrale.’

Mevrouw Wilgenteen buigt haar hoofd.

‘In Tihange spookte het,’ schreeuwt Neef met overslaande stem. ‘Daar gebruikten de tweebeenbevers ons als proefkonijnen.’

‘Konijnen, wat zijn dat?’

‘Een soort harige salamanders.’

‘Getver.’

‘Kan wel zijn,’ piept Elsje, ‘maar ik heb honger.’ Haar broer spuugt een rododendronblad uit waarop hij al minstens een uur heeft zitten kauwen. Een andere neef fluimt er nog eens goed overheen.

‘Het is de schuld van die gore salamanders,’ roept Neef, ‘die gaan wel het gat in, die houden de Beloofde Oevers voor zichzelf.

‘Dood aan de salamanders,’ roept iemand.

‘Dood, dood,’ dreunt het een tijdje tot men uitgeput zwijgt.

Niemand weet precies wie begon, maar uiteindelijk zit iedereen naar mevrouw Wilgenteen te staren. Ze lijkt onder haar snorharen bijna te bidden. Dan verheft ze zich.

‘Meisjes, luister. Weten jullie hoe Betoverovergrootma ons volk door deze stadsparkwoestijn leidde, op weg naar de vrijheid?’

Men kruipt tegen elkaar aan, in de verte krijst een claxon, de beer jammert, een enkeling laat een stinkende rododendronwind maar niemand giechelt, niemand is nog bang, men luistert in trance.

 

Paul van der Horst

Verhaal schrijven: de alwetende verteller

  • Nicole Kraft
  • 29-01-2015

Hallo Paul, wat een mooie, gevoelige verhaaltjes. Door een bever geschreven. Die neemt ons mee langs de jeker,en verder. Ik heb ervan genoten. Chapeau!Groet en tot gauw, Nicole

  • Paul van der Horst
  • 21-01-2015

Hoi Jaap,Bedankt voor het rake commentaar.V.w.b. je redactionele opmerkingen heb je grotendeels gelijk. Zo houd ik té veel van lange zinnen. Maar die beer, die jammerde echt, vals en eenzaam in z'n berenkuil. Goed dat ze 'm de deur uitgedaan hebben.En m.b.t verwijzingen naar bv. het Albertkanaal: het was tijdens de workshop een buitengewone ervaring: niet alleen de twee scènetjes van de blog borrelden op in m'n kop, binnen de kortste keren had ik een lijstje van dertien(!). Je weet wel, elk idee flitst in een fractie van een seconde voorbij maar het kost uren, dagen, om het op papier te zetten. Tijdens de workshop werkte ik er drie uit, waarvan ik achteraf eentje nogal geneuzel vond. Dat Albertkanaal, en ook het in vreemde tongen spreken, zijn verwijzingen naar nog niet uitgeschreven scènes, tja, dat kan de lezer niet weten, dus eigenlijk had ik ze moeten verwijderen. Groetend, Paul.

  • jaap gerritsma
  • 21-01-2015

Hallo Paul,Leuk, fijngevoelig verhaaltje vanuit een beverperspectief. Ook mooie woorden gevonden.Een enkel commentaar. Soms maak je wel lange zinnen met veel komma's. Bijv: het liefst etc. Ik zou een punt zetten achter achternagegaan. Bovendien kun je dan in de nieuwe zin toevoegen wat die oeroude drang is.Neus hebben voor het land van melk en honing? Ik snap bovendien niet goed wat je bedoeld met het laatste deel van de zin: lang voor de grote exodus...Dan de zin: Zelfs mevrouw Wilgenteen... Wat moet ik me voorstellen bij het Albertkanaaal etc. Bovendien is het toch met vele tongen spreken. De beer.: aan de praat krijgen? Is het niet meer te vermurwen, of zoiets.En dan nog een paar kleinigheden. Een krijsende claxon? Snerpend of zoiets. Een een valse beer die jammert? Brommen en grommen.Het zijn maar kleinigheden, maar misschien van nuthartelijke groet Jaap

reageer