BEZOEKERSBLOG

 

Deze pagina staat open om te publiceren voor ieder. Je kunt proza insturen, bijvoorbeeld een column, blog, verhalend stukje fictie / non-fictie of een gedicht.

Het Schrijflab verzorgt de redactie. Voor bijdragen is het maximum verhoogd van 500 naar 1500 woorden (proza) en van 30 naar 60 regels (poëzie).

Op een gepubliceerde tekst(en) kan ieder reageren in het toegevoegde venster. In je reactie geef je bij voorkeur helder geformuleerde feedback op de inhoud, techniek en stijl. Of je drukt je waardering uit in een goed beargumenteerde vorm.

 

Bijna thuis

Het duurt even voordat Theo zich bewust wordt van de omgeving. Hij nam de trein en de bus van werk naar huis zoals elke dag. Zijn gedachten bleven op kantoor. Daar verandert de frisse herfstlucht op het laatste stukje naar huis ook niets aan.

Hij heeft de dossiers niet nodig om zich de vraagstukken die hem achtervolgen te herinneren. Vroeger leek alles veel duidelijker. Alsof de afbakening van het begrip ondraaglijk lijden was verankerd in de protocollen die hij zwart/wit toepaste.
Wat moet een arts in godsnaam met zo’n duo-aanvraag? Partners waarvan er een zwaar ziek is en de ander gelijk mee wil op de laatste reis. Hij kan zich die wens zo goed voorstellen. Zeker van mensen die het grootste deel van hun leven samen waren. Wie geeft wie het recht om zo’n verzoek af te wijzen of in te willigen? En welke arts wil bij de uitvoering betrokken zijn?
Het komt steeds vaker voor dat hij niet kan oordelen. Of het niet wil. De mensen en hun verhalen horen niet meer alleen bij zijn werk. Ze komen steeds dichterbij. Hij kan ze projecteren op familie, vrienden. Op zichzelf.
 
Vanaf de rotonde kan hij zien dat er licht brandt in de keuken. Bijna thuis. Maar zo wil hij niet naar binnen. Hij wijkt af van de route, loopt rechtdoor in plaats van af te slaan, richting het park. Eerst moet zijn hoofd leeg.
 
In het park kiest hij het pad langs de sloot. Het wordt nu snel donker en het lantaarnlicht geeft de boomstammen iets spookachtigs. De noesten worden ogen die hem opwachten en volgen zodra hij passeert. Hij smelt samen met de duisternis en kijkt vanaf veilige afstand naar de rij huizen. Sommige zijn nog donker, in afwachting. In andere brandt licht in woonkamers en keukens.
Aan de buitenkant kun je niet zien of er geluk woont. Of dat er iemand ziek is, pijn lijdt of het liefst voorgoed weg zou willen van dit alles.
In de verte hoort hij een trein over de brug dichterbij denderen. Hij leunt tegen een boom, steekt zijn handen diep in de zakken van zijn broek en wacht. Verlichte coupés razen aan hem voorbij. Mensen onderweg naar huis.
 
Het park is op dit vroege avonduur verlaten. Een rood knipperlichtje aan het begin van het pad trekt zijn aandacht. Het danst in zijn richting, staat even stil en komt hem dan weer tegemoet. Een hond, registreert hij vaag terwijl zijn gedachten het hier en nu al weer willen ontvluchten. Tot hij het beest en het donkere, lange silhouet ernaast meent te herkennen. Het licht van de lantaarn bij het basketbalveld geeft de bevestiging: Sjoerd. Met Banjer.
 
Theo drukt zijn schouderbladen samen en duwt zich zo af tegen de stam van de boom. Eenmaal op het wandelpad zwaait hij en hij fluit. Het rode lampje springt op en neer. De hond blaft terwijl zijn riem wordt losgemaakt. Dan vliegt het lampje naar Theo. Het kost moeite om te blijven staan na de duw van die twee poten, precies in zijn knieholtes. Nog een klap met zijn staart, toe maar. Hij bukt zich om het beest te aaien.
‘Hé. Ma dacht dat je je trein gemist had. Mocht ik alvast met de hond uit voor het eten. Zat ik net op te wachten.’
Theo trekt eerst de capuchon van Sjoerds hoofd. Hij haat het als hij zijn ogen niet kan zien. Net wat hij dacht: protest voor de vorm, gewoon voor het lekkere. Alsof het is afgesproken vinden hun handpalmen elkaar in de lucht. Ze zijn op dit moment ongeveer even lang, maar die knul schiet hem nog wel een stuk voorbij.
‘Hoezo? Zat je weer te gamen, jongen?’ Even pesten. Hij neemt de riem over en lijnt Banjer weer aan.
‘Wat vind jij daar nou van?’ Zijn zoon wijst op het knipperende lampje aan de halsband . ‘Ma’s nieuwste goede idee. Bizar!’
Goddank. Dat je ook nog kunt nadenken over zoiets volslagen onbenulligs.
 ‘Tja,’ Meer weet hij er niet over te zeggen. ‘Kom, we gaan. Wat eten we eigenlijk?’
 
 
Juanita Stachowitz
Verhaal schrijven: de alwetende verteller

 

reageer