BEZOEKERSBLOG

 

Deze pagina staat open om te publiceren voor ieder. Je kunt proza insturen, bijvoorbeeld een column, blog, verhalend stukje fictie / non-fictie of een gedicht.

Het Schrijflab verzorgt de redactie. Voor bijdragen is het maximum verhoogd van 500 naar 1500 woorden (proza) en van 30 naar 60 regels (poëzie).

Op een gepubliceerde tekst(en) kan ieder reageren in het toegevoegde venster. In je reactie geef je bij voorkeur helder geformuleerde feedback op de inhoud, techniek en stijl. Of je drukt je waardering uit in een goed beargumenteerde vorm.

 

Hoofdverpleger Gresnigt et al

Hoofdverpleger Gresnigt ging tewerk op de kinderafdeling. ‘s Ochtends, bij de kaalgekuurde kotertjes, kon hij zich nog inhouden maar tijdens het middagspreekuur sloeg hij geregeld toe, dat wil zeggen, als zo’n jeremiërende bengel binnenkwam met z’n overbezorgde ouder, gingen eerst Gresnigts wenkbrauwen omhoog, en dat zag de behandelend arts, en die knikte dan kort naar Gresnigt, en even later, als de ouder al met ’t prozac-receptje in de hand was opgestaan en het etterbakje reeds in de deuropening stond, bij voorkeur met z’n plakvingertjes op ’t kozijn, dan knikte de behandelend arts ten tweede male, en dan sloeg Gresnigt toe, dat wil zeggen: dan sloeg de deur toe, zo hard als ie kon. En in de hal kwam die arme zuster Raemaekers dan achter haar balie vandaan en plakte hoofdschuddend een pleister of adviseerde de blauwe teen of vinger thuis in ijskoud water te dompelen.

Dat waren de doordeweekse gevallen maar Gresnigt had het liefst weekenddienst.

Gresnigt ging altijd rechtop, zelfs zittend leek hij te staan. Gresnigt was mager en boomlang en hij benadrukte dat door, als het ware, rechtop te bukken naar het grut. Nooit tilde hij er eentje op, al jankte het nog zo hard, al lag het bijna dood op een brancard, al voelde Gresnigt mededogen. Jazeker, dat gebeurde soms, maar ook in dat geval tilde hij het kind niet op, want als hij zich op zijn kenmerkende manier rechtop vooroverboog, vóélde het kind zich opgetild worden. Dat gevoel voldeed.

De simulantjes daarentegen, de pseudo-ADHDtjes met de hen chronisch verwaarlozende, en dus overbezorgde, ouders, die ervoeren Gresnigt niet als dik twee meter maar als twintig meter lang, en zij hoorden voortdurend z’n spekleren zolen op zich afkomen. Hopelijk zagen ook hun ouders hem torenhoog en verpletterde hen zijn sardonisch schoengeslis.

Vroeger roken ziekenhuizen naar jodium en naar lysol, dit om de allesdoordringende poep- en piesgeur te overschreeuwen. Vooral naar lysol stonken ze, wist Gresnigt. De huidige poliklinieken geuren naar betadine en allesreiniger, en die zijn allebei prettig geparfumeerd. Gresnigt hanteerde sloten muntreiniger en zeer kleine doses gelijkruikende middelen: de meeste zijner patiëntjes werden in de allesreiniger gedompeld, uit de grote flacon met het groene etiket, en slechts een enkel kind betaalde hij met een pepermuntje, zo’n wit schijfje waarvan het ingegraveerde geheimschrift op de tong gevoeld werd, maar alleen als zo’n kind hem eerder – zonder het zelf in de gaten te hebben – gelijke munt had geschonken.

Zoals gezegd, Gresnigt was lang, heel lang. Voor de een leek ie een heipaal, voor de ander een hark, voor sommigen een steunpilaar en voor velen een galg. Dit alles doet de vraag rijzen of Gresnigt wel bestaat. Bestaat de hoofdverpleegkundige? Is hij niet een luchtspiegeling van ’s mens, of in dit geval van ’s kinds eigen ziektebeeld, een fata morgana elkéner eigen eerlijkheid? Gresnigt zelf zou dit hartgrondig beamen.

Zo zien we dat de niet-bestaande Gresnigt wel degelijk bestaat: als steunpilaar dan wel als galg. En dat is de waarheid: hoewel geen enkel mens op een andere manier bestaat dan als dikke klont moleculen, wat ook maar een biologisch model is; niet-bestaat elk mens gelukkig veel concreter als spiegeling van andermans eigenbeeld. Want elk mens herschept elk ander levend wezen dat ie tegenkomt, mens of beest, als zijn beeld en gelijkenis.

Ach, waren alle verplegers maar Gresnigts, dan zou de eigen bijdrage subiet kunnen worden afgeschaft – neen, niet allemáál zulke steile Gresnigts: zuster Raemaekers, die mollige miniatuurmatrone, laat die vooral zuster Raemaekers blijven.

En daarom, toen ik zuster Raemaekers in het telefoonboek vond als Gresnigt-Raemaekers, was ik eerst verbaasd, teleurgesteld zelfs, maar eigenlijk was het logisch: zijn beeld, haar gelijkenis.

In summa, alleen Raemaekers wist dat Gresnigt zich zijn vader al te goed herinnerde, hoofdverpleger Gresnigt-senior, die absoluut niet tegen aanstellerij kon, en daarom had Gresnigt nooit gehoest, tot ie de bloedbrij niet meer kon binnenhouden.

Zijn moeder kwam hem elke week bezoeken in de tbc-kliniek in Driebergen, waar Gresnigt nooit een berg had gezien, laat staan drie bergen. Hij zag alleen de blauwe lucht en veel opflinkend zonlicht nadat ie ’s ochtends met bed en al de serre in was gereden, en soms een Amerikaanse bommenwerper want het was oorlog.

Zijn vader was nooit met z’n moeder meegekomen. Ze vertelde dat hij zich had aangemeld voor het oostfront, dat hij collaboreerde. Wat is dat, vroeg Gresnigt dan. Hij doet boete, zei z’n moeder. Dat snapte hij ook niet, toch wilde hij het elke keer horen want hij wist dat ze daarna een appeltje voor hem ging schillen. En dat deelde-n-ie dan met de Raemaekersspriet die in het bed naast hem lag.

 

Paul van der Horst

Schrijfworkshop Het Personage, het Vertellen en de Plot

 

 

Dit verhaaltje is het resultaat van een workshopoefening in concreet vertellen, en wel in zesvoud: schrijf een alinea bij elk van deze opdrachten:

- suggestieve beschrijving van een personage;

- roep stills op, visualiseer het personage in actie;

- gebruik de zintuigen: voelen, horen, ruiken en proeven;

- maak het personage levensecht door specifieke details in stijlfiguren als vergelijking, metafoor en overdrijving;

- gebruik contrast, contrast, contrast;

- roep herinneringsbeelden en –sensaties op.

 

Nadat de vorige versie van dit verhaal op de blog van Het Schrijflab was gezet, kreeg ik uit m’n schrijfgroep deze feedback:

- In de 1e alinea is de 2e zin heel lang. Maar omdat het een simpele chronologische opsomming betreft, in de vorm van [En toen …, en toen …, en toen …,] zou het m.i. juist heel kleuterig uitwerken als ik er telkens een nieuwe zin van zou maken: [En toen … En toen … En toen …]. Daarom heb ik de zin niet veranderd.

- Het einde van de 1e alinea: waarom had Gresnigt het liefst weekenddienst? Blijkbaar kent niet iedereen een polikliniek in weekendsfeer, daarom heb ik de reden erbij gezet.

- De 4e alinea vond ik nogal ronkend, maar tot m’n verbazing was het grootste probleem dat men ‘uit het Gresnigt-verhaal werd getild’ – waar komt die ik-verteller vandaan? - vroeg men. En waarom bestaat Gresnigt ineens niet meer, en in de alinea erna weer wel? Om dat alles op te lossen heb ik een nieuwe beginzin gemaakt: Wij van het verzekeraarsmonopolie onderzoeken waarom sommige poli’s veel goedkoper functioneren dan andere.

- Van de laatste alinea was niet duidelijk dat het over Gresnigts jeugd ging. Ik had die alinea blijkbaar te compact geschreven, blijkbaar was het noodzakelijk de tijdsprong expliciet te vermelden.

 

Op basis van deze feedback herschreef ik het verhaal, en nu heet het Gresnigt cs.

 

Hoofdverpleger Gresnigt cum suis

 

Namens het verzekeringsmonopolie heb ik het functioneren van Gresnigt onderzocht. Ik sprak met zijn collega’s en dit is het beeld:

Hoofdverpleger Gresnigt ging tewerk op de kinderafdeling. ‘s Ochtends, bij de kaalgekuurde kotertjes, kon hij zich nog inhouden, maar tijdens het middagspreekuur sloeg hij geregeld toe, dat wil zeggen, als zo’n jeremiërende bengel binnenkwam met z’n overbezorgde ouder, gingen eerst Gresnigts wenkbrauwen omhoog, en dat zag de behandelend arts, en die knikte dan kort naar Gresnigt, en even later, als de ouder al met ’t prozac-receptje in de hand was opgestaan en het etterbakje reeds in de deuropening stond, bij voorkeur met z’n plakvingertjes op ’t kozijn, dan knikte de behandelend arts ten tweede male, en dan sloeg Gresnigt toe, dat wil zeggen: dan sloeg de deur toe, zo hard als ie kon. En in de hal kwam die arme zuster Raemaekers dan achter haar balie vandaan en plakte hoofdschuddend een pleister of adviseerde de blauwe teen of vinger thuis in ijskoud water te dompelen.

Dat waren de doordeweekse gevallen maar Gresnigt had het liefst weekenddienst, want dan doken de slimmeriken op die huisarts en wachtlijst wilden omzeilen.

 

Gresnigt ging altijd rechtop, zelfs zittend leek hij te staan. Gresnigt was mager en boomlang en hij benadrukte dat door als het ware rechtop te bukken naar het grut. Nooit tilde hij er eentje op, al jankte het nog zo hard, al lag het bijna dood op een brancard, al voelde Gresnigt mededogen. Jazeker, dat gebeurde soms, maar ook in dat geval tilde hij het kind niet op, want als hij zich op zijn kenmerkende manier rechtop vooroverboog, vóélde het kind zich opgetild worden, en dat gevoel voldeed.

De simulantjes daarentegen, de pseudo-ADHD’ertjes met de hen chronisch verwaarlozende, en dus overbezorgde, ouders, die ervoeren Gresnigt niet als dik twee meter maar als twintig meter lang, en zij hoorden voortdurend z’n spekleren zolen op zich afkomen. Hopelijk zagen ook hun ouders hem torenhoog en verpletterde hen zijn sardonisch schoengeslis.

 

Vroeger roken ziekenhuizen naar jodium en naar lysol, dit om de allesdoordringende poep- en piesgeur te overschreeuwen. Vooral naar lysol stonken ze, wist Gresnigt. De moderne poliklinieken geuren naar betadine en allesreiniger, en die zijn allebei prettig geparfumeerd. Gresnigt hanteerde sloten muntreiniger en zeer kleine doses gelijkruikende middelen: de meeste zijner patiëntjes werden in de allesreiniger gedompeld, uit de grote flacon met het groene etiket, en slechts een enkel kind betaalde hij met een pepermuntje, zo’n wit schijfje waarvan het ingegraveerde geheimschrift op de tong gevoeld werd, maar alleen als zo’n kind hem eerder – zonder het zelf in de gaten te hebben – gelijke munt had geschonken.

 

Zoals gezegd, Gresnigt was lang, heel lang. Voor de een leek ie een heipaal, voor de ander een hark, voor sommigen een steunpilaar en voor velen een galg. Dit alles doet de vraag rijzen of Gresnigt wel bestaat. Bestaat de hoofdverpleegkundige? Is hij niet een luchtspiegeling van ’s mens, of in dit geval van ’s kinds eigen ziektebeeld, een fata morgana elkéner eigen eerlijkheid? Gresnigt zelf zou dit hartgrondig beamen.

Zo zien we dat de niet-bestaande Gresnigt wel degelijk bestaat: als steunpilaar dan wel als galg. En dat is de waarheid: hoewel geen enkel mens op een andere manier bestaat dan als dikke klont moleculen, wat ook maar een biologisch model is; niet-bestaat elk mens gelukkig veel concreter als spiegeling van andermans eigenbeeld. Want elk mens herschept elk ander levend wezen dat ie tegenkomt, mens of beest, als zijn beeld en gelijkenis.

Ach, waren alle verplegers maar Gresnigts, dan zou de eigen bijdrage subiet kunnen worden afgeschaft – neen, niet allemáál zulke steile Gresnigts: zuster Raemaekers, die mollige miniatuurmatrone, die lieve pleisterplakster, laat die vooral zuster Raemaekers blijven.

En daarom, toen ik zuster Raemaekers in het telefoonboek vond als Gresnigt-Raemaekers, was ik eerst verbaasd, teleurgesteld zelfs, maar eigenlijk was het logisch: zijn beeld, haar gelijkenis.

 

Wat is het geheim van uw overleden man, vroeg ik haar, hoe leren we alle verpleegkundigen zijn kostenbesparende houding?

Elk moment herinnerde hij zich zijn vader, begon ze en kwetterde een heel verhaal, in summa: zijn vader, hoofdverpleger Gresnigt-senior, kon absoluut niet tegen aanstellerij en daarom had de kleine Gresnigt nooit gehoest, tot ie de bloedbrij niet meer kon binnenhouden. Toen was hij dertien en zijn vader bukte voor hem, zwijgend, om de boel op te dweilen.

Daarna kwam zijn moeder hem elke week bezoeken in de tuberculosekliniek in Driebergen, waar Gresnigt nooit een berg had gezien, laat staan drie bergen. Hij zag alleen blauwe lucht, met soms een Amerikaanse jachtbommenwerper want het was oorlog, en veel opflinkend zonlicht nadat ie ’s ochtends met bed en al de serre in was gereden.

Zijn vader was nooit met z’n moeder meegekomen. Ze vertelde dat hij zich had aangemeld voor het oostfront, dat hij collaboreerde. Wat is dat, vroeg Gresnigt dan. Hij doet boete, legde z’n moeder uit. Dat snapte Gresnigt ook niet, toch wilde hij het elke keer horen want hij wist dat ze daarna een appeltje voor hem ging schillen. En dat deelde-n-ie dan met de Raemaekersspriet die in het bed naast hem lag.

 

Paul van der Horst

Schrijfworkshop Het Personage, het Vertellen en de Plot

 

reageer