BEZOEKERSBLOG

 

Deze pagina staat open om te publiceren voor ieder. Je kunt proza insturen, bijvoorbeeld een column, blog, verhalend stukje fictie / non-fictie of een gedicht.

Het Schrijflab verzorgt de redactie. Voor bijdragen is het maximum verhoogd van 500 naar 1500 woorden (proza) en van 30 naar 60 regels (poëzie).

Op een gepubliceerde tekst(en) kan ieder reageren in het toegevoegde venster. In je reactie geef je bij voorkeur helder geformuleerde feedback op de inhoud, techniek en stijl. Of je drukt je waardering uit in een goed beargumenteerde vorm.

 

Martin en de boeken

Sinds het besluit ons huis met zeven kamers en ruim vijfduizend boeken en andere dingen te verkopen, hebben we het druk. De manager van De Slegte regelde dat de boekenopkoper contact zou opnemen Binnen enkele dagen belde Martin (spreek uit Martain) van de Ville. Hij kon de volgende dag al komen. ’s Morgens om negen uur verscheen de witte auto met een groot rond blauw vlak met de naam Polare. Polare, een idiote naam vind ik voor de Selexyz- en De Slegte-winkels. Waarom niet gewoon De Boekenboer of Het Letterhuis?

Martin – een flamingrant - dat hoor ik meteen, stapt met een flinke tas digitale apparatuur binnen. Na een kop koffie met een stukje Hollandse cake, gaan we naar de zolder. We kijken naar de boekenkasten in de kamers en op de overloop. Een etage lager zijn  drie kamers met een paar honderd boeken. In de huiskamer staat een grote boekenkast met twaalf brede planken. Onder de marmeren plaat van de open haard staan enkele meters boeken. Dat zijn vooral kunstboeken.

‘Wel u kunt beginnen. Ik ga niet mee naar boven. U legt op de grote tafel en op het bed de boeken die u wilt meenemen. Hier is een tafelschel waarmee u mij kunt laten weten als de boeken zijn gesorteerd. Dan kunnen we overleggen.‘

Een uur later komt hij naar beneden. Het zweet op zijn voorhoofd en rug. Het is onder het dak meer dan dertig graden. ‘En wat vindt u ervan?’ zeg ik

‘Wel, het is te zeggen hè; er zijn goed verkoopbare boeken bij.’

Gelukkig denk ik, een paar duizend euro kunnen we goed gebruiken voor de verhuizing en inrichting van de te betrekken flat.

Op de tafel staan stapels boeken. Op het bed aan de linkerkant liggen er tientallen. 'Ik geef u een zetel, u legt de boeken die u niet wilt verkopen aan de rechterkant van het bed. Ik ga vast een etage lager beginnen.’

De gehavende boekenkast ziet er uit of er inbrekers in haast gevlucht zijn. In een droeve stemming streel ik enkele exemplaren. Belcampo: zijn kleinzoon Jasja Arian beschrijft de wandeltocht die hij maakte toen hij zeventien was met zijn oude grootvader van 85. Zijn verhaal vormde het idee voor de tocht van tien dagen met mijn kleinzoon David van vijftien. Ik was toen zeventig. Boudewijn Büch kan zo mee. Onbegrijpelijk dat deze pathologische leugenaar nooit ontmaskerd is. Jacob Cats kan mee; beneden staan nog andere werken  van hem. Zijn uitspraak ’Als met een kaers in ’t open veld, zo is het met de mens gesteld‘, vergeet ik toch niet.

Van Hugo Claus bewaar ik alleen Omtrent DeeDee. De pastoor die met zijn familie de dood van Moeder herdenkt, wordt betrokken in een chaotisch feest. De beschrijving waarin hij zijn neef Claude in de steek laat en de dood injaagt, zit als een tatoeage in mijn hersenen.

Flaubert: ‘Madame Bovary c'est moi’. Prachtig. Nog mooier was de opmerking van mijn vrouw: ‘Als die mevrouw zulke rare dingen blijft doen, hoef ik het niet verder te lezen.’

De hele plank Grunberg kan weg, op ‘De Asielzoeker’ na. Als de vrouw van Beck – de hoofdpersoon -  met de Algerijn Raffi gaat trouwen, maakt hij een slaapplaats onder de kapstok. Morbide toch? De rouw-en-ellende boeken van Hemmerechts, Enquist en Van der Heijden liggen gelukkig bij de af te voeren exemplaren. De Reve–boeken, met zijn literatuur, seks en dood – de rest is flauwekul, blijven hier. Voskuil met zijn Bureau – waarin al die ruzies met zijn vrouw Nicolien, zijn  tot mijn genoegen in een doos gezet.

Martin komt naar boven. ‘U hebt wel veel gelezen. Dat hebt u zeker van huis uit meegekregen.’

‘Mijn ouders hadden drie boeken. Door een opmerking van een pater:

Je leest toch niet te veel hé? dacht ik als die het verbiedt, moet het interessant zijn. Dát ga ik doen.’

‘Opvallend is dat er veel boeken van hedendaagse schrijvers staan. Het is goed te zien, dat u leraar Nederlandse Taal bent.’

‘En wat heb jij gestudeerd?‘ vraag ik zonder op zijn veronderstelling in te gaan.

‘Ik heb geschiedenis gestudeerd.’

‘Afgestudeerd ook ?’

‘Nee dat niet. Ik was een draaideur-student. Na een paar keer buizen, heb ik de studie opgegeven.’

‘Wat is het belangrijkste dat we van de geschiedenis leren?’

’Dat zou ik zo gauw niet weten.’

‘Ik zal het je zeggen: Wat we van de geschiedenis leren is, dat we niets van de geschiedenis leren.’

‘Ach, ik heb een pak relaties achter de rug en ben na bemiddeling van het Bureau van Arbeid in deze job gekomen. Vindt u het erg deze mooie koppelwoning te moeten verlaten en zoveel boeken weg te moeten doen?’                                                                                                           ‘Ja, dat is wel erg, maar er zit niets anders op. Je boekenkast is een afspiegeling van je interesses, de aanschafomstandigheden en herinneringen aan de gevers.’

‘Wat vindt uw vrouw ervan? Mag ik dat vragen?’

‘Dat mag je best vragen. Het is hier: Hersenschimmen met een vrouw in de hoofdrol.’

‘Oh.’ Martin staat op, geeft mij een hand en kijkt me aan. Zijn mobiel gaat. De ringtone herken ik: iets van Jacques Brel – die is  ook vaak gebuisd weet ik. ‘Moest ik het zeggen,’ antwoordt hij. Ik laat hem even alleen.

We gaan naar de eerste etage. Van de gedichtenbundels neemt hij niets mee, die zijn onverkoopbaar. Anton van Duinkerken valt op de grond, een krantenknipsel schuift de vloer op. Het is een velletje uit 1968 van Propria Cures, het studentenblad. ‘Hier ligt Anton in zijn kissie; het statiegeld kan naar de missie.’ Ik pak Bertus Aafjes: ‘Een soldaat sliep op zijn overjas en droomde lachend dat het vrede was …’ ik draag het voor terwijl Martin  meeleest.

 ‘U brandt een gat in mijn ziel. Dank u wel mijnheer Van Holland.’

‘Hebt u geen Céline? ‘

‘Die heb ik niet.’ Waarom vind ik dat een vreemde vraag?

De planken met biografieën worden behoorlijk uitgedund. Freud houd ik toch liever zelf. ‘Hij eiste om punkt zwölf Uhr ein gut bürgerlicher Tisch!’

De boeken over de techniek van het schrijven houd ik ook. Mijn talenten beperken zich tot: praten, lezen en schrijven. Opruimen en schoonmaken doe ik ook graag. De rest laat ik aan anderen over.

‘Ik tref ook helemaal geen politiek aan,’ gaat hij op aanklagende wijze verder.

‘Nee, ik heb dezelfde mening als Bolkenstein: Alles is politiek, maar politiek is niet alles.’ ‘Boeken over godsdienst zijn er ook weinig.’

‘Wil jij die wel meenemen?’

‘Nee, daar is helemaal geen belangstelling voor.’

‘Over Christus kan ik kort zijn: hij schreef nooit en … lachte nooit.’          

‘U hebt wel originele ideeën.’

‘Ik ben nu bezig met biografische aantekeningen met de titel “Alles gaat voorbij, maar niets gaat over”.’

‘Mooie titel inderdaad.’

‘Een heel mooie titel,’ ga ik verder, ‘is Basterd Suiker van Arjen Lubach. Die uitdrukking komt van een klein kind: “Pap ze noemen mij Bastaard. Waarom doen ze dat?” “Je bent zo zoet als suiker, vandaar…” Dank je, Arjen.’

In de logeerkamer pakt hij een flinke stapel filosofieboeken. Bij Descartes verschijnt meteen  Bob een student, die zei: ‘Ik denk, dus ik weet het ook niet.’ Ik gaf hem een kaart van Schopenhauer: ‘Het allerergste komt nog.’ Wat helaas uitgekomen is.

Met de boeken beneden is hij gauw klaar. Niks Rembrandt, Rubens, Jan Steen, of Monet.

Zelfs Michelangelo blijft staan – ik herinner me de beroemde anekdote. De beeldhouwer riep na weken tegen David: ’Zeg toch eens wat!’

Hij pakt wel Mondriaan, Modigliani, Margritte, Hockney , Escher en Franz Marc (die ik apart leg). De reis– en stedenboeken blijven onaangeroerd. Van de zeven planken met thrillers gaat een half plankje mee.

Het is nu een uur ‘s middags. Martin gaat inladen. Hij zweet enorm. Wij zetten en paar broodjes voor hem neer. ‘Wel, een goede interessante aankoop,’ zegt hij monter, terwijl hij zijn koffie drinkt. Niet gek, denk ik. Zal het twee- of drieduizend euro zijn, pingpongt het door mijn hoofd.

‘Ik  kan u voor deze vijfhonderd boeken zevenhonderdvijftig euro bieden. Dat zal u toch niet tegenvallen?’

‘Eh,eigenlijk wel.’

‘Nou,vooruit dan: achthonderd euro en dat is de uiterste prijs . Akkoord zo?‘

‘Akkoord,’ zeg ik langzaam.

‘Hier is mijn stylo; als u hier uw naamtekening zet, zorg ik dat u het geld binnen een paar dagen ontvangt. Nu ben ik rap naar de volgende klant en succes met uw verhuis.’

Wij gaan samen op de bank zitten en lopen dan naar boven.

’O,dat is boffen zeg,’ roept mijn vrouw , ‘alle boeken die van ons thuis waren, staan er nog.’

‘Ja, wij boffen wel,’ zeg ik en trek haar naar me toe.

 

Alfred Drenth, augustus 2013

reageer