BEZOEKERSBLOG

 

Deze pagina staat open om te publiceren voor ieder. Je kunt proza insturen, bijvoorbeeld een column, blog, verhalend stukje fictie / non-fictie of een gedicht.

Het Schrijflab verzorgt de redactie. Voor bijdragen is het maximum verhoogd van 500 naar 1500 woorden (proza) en van 30 naar 60 regels (poëzie).

Op een gepubliceerde tekst(en) kan ieder reageren in het toegevoegde venster. In je reactie geef je bij voorkeur helder geformuleerde feedback op de inhoud, techniek en stijl. Of je drukt je waardering uit in een goed beargumenteerde vorm.

 

De rat en de vos

*Vrij naar Toon Tellegen

 

‘Ach, het liefst zou ik lucht willen zijn,’ zegt de waterrat tegen de vos. Hij kijkt de vos aan. Die reageert niet. Die tuurt naar  het kippenhok aan de overkant van de weg.

’Luister je wel?’zegt de rat.

‘Ja, ik hoor je best,’ mompelt de vos.

‘Als lucht ben je onzichtbaar en overal.’

‘Dat is zo,’ zegt de vos.

‘Door water word je toch beperkt; zeker hier in het Dubbroek,’ gaat de rat verder.

‘Ook al waar,’ antwoordt de vos.

‘Dan hing ik nu boven woestijnen en zeeën, koepelde ik over bomen en bergen. Boven de wolken bij de zon moet het heel mooi zijn. Dan zou ik nu warm zijn en niet zo koud en nat als hier. En dan was ik blauw. Ik wil eigenlijk altijd al blauw zijn.’

‘Hm,’  zegt de vos met een gezicht van: man zeur niet zo.’Ik wil helemaal niet blauw zijn. Mij te opvallend. Ik ben heel tevreden met mijn donkere roodbruine vacht. Last van de kou heb ik ook niet, de vacht zit heerlijk warm. En waar ik echt veel plezier van heb, zijn mijn ogen en sterke tanden.’
‘In de nacht ben ik dan zwart. Ik lig als een groot donker laken over de wereld. Moet je je voorstellen. Dan kan ik zien wat de bevers, de kikkers en de veldmuizen in de greppels hier doen. De bunzing vertrouw ik ook niet helemaal. Ik zie hem steeds met een andere scharrel bij de rietpluimen aan die dode rivierarm daar. Ik vind het zelf gek, dat ik zo jaloers ben. Achter de brandnetels en de zuring heb ik zelf leuke ontmoetingen.’

‘Hoogst interessant,’ zegt de vos zuchtend, schuurt zijn rug tegen de driestammige berk en kijkt langs de rat heen naar het kippenhok bij de kassen. Langs de dijk ziet hij een haas springen. Hij heeft geen zin er achteraan te gaan. Hoewel hij met gemak zo hard kan rennen, dat hij hem kan pakken. Nee, het wordt een kippetje vanavond. Wellicht twee.
Het regenen houdt op, maar er steekt een flinke wind op. 'We kunnen een eindje gaan lopen,’ stelt de vos voor. ‘Je kunt me een dienst bewijzen en bij het kippenhok kijken of daar mensen in de buurt zijn.’
Ze steken de grindweg met gaten en poelen over en lopen richting kippenhok. Vlak voor het hok zegt de vos: ‘Ga, jij maar kijken. Ik moet even plassen.’
’En?’ vraagt de vos als de rat even later terug is.

 

‘Geen mens te bekennen,’ zegt de rat.

‘Mooi zo.’
‘Ik moet er vandoor,’ zegt de vos.

‘Zal ik met je meegaan?’ zegt de rat.

‘Wel, dat komt nu slecht uit.’ De vos spreekt langzaam. ‘Ik moet een zaakje regelen waarbij ik niemand kan gebruiken.’‘Jammer. Dan zie ik je binnenkort wel weer.’

 

Met een sprong verdwijnt de vos. De rat schuift het water in, waar hij onder het kroos gaat slapen.

 

Alfred Drenth

Schrijfworkshop: De Taal van de Herfst

 

 

reageer